Blog

Wel de huizen, niet meer de mensen

De Stadhoudersstraat in de volkswijk Het Broek in Arnhem rond 1960. De straat van mijn grootouders aan moederszijde, wonend in een net huis van woningcorporatie Sint Jozef (de huur werd wekelijks aan de deur geïnd).

Mijn opa was verwarmingsmonteur. Hij reed iedere doordeweekse dag op een Zündapp-brommer naar zijn ‘karwei’. Mijn oma had in de jaren twintig de door haar verafschuwde fabrieksarbeid ontlopen door dienstmeisje te worden bij rijke Arnhemmers. Ze had er iets statigs en goede manieren aan overgehouden.

Bij de buren aan de ene kant was de man een postbeambte die tijdens de bezetting in het verzet had gezeten maar daarover pas na afloop iets vertelde aan zijn loslippige vrouw. Aan de andere kant woonde een echtpaar waarvan de echtgenoot zich had opgewerkt van eenvoudig beroepsmilitair tot officier.

Allen hadden ze de slag om Arnhem meegemaakt. De felbevochten Rijnbrug lag op slechts een kilometer afstand. En dan waren er de verhalen over de massa-evacuatie naar de Veluwe en de terugkeer na de bevrijding in door de vijand leeggeroofde en vernielde huizen.

Om de hoek was een eenmans-kapperszaak voor heren gevestigd. Een kamer met in het midden de knipstoel waar de kapper – gekleed in een lange witte jas en voorzien van een lawaaiige grote tondeuse met een lang snoer – klant na klant hielp. Mannen die eerst op tegen de muur geplaatste stoelen hun beurt hadden afgewacht. Vooraf een afspraak maken, kon nog niet.

Sprongsgewijs kwam in die jaren de welvaart, met opeenvolgende loonsverhogingen en daarmee nieuwe apparaten: een bromfiets, een kleine zwartwit televisie, de onvolprezen koelkast en verderop in de jaren zestig voor de allergelukkigsten een kleine tweedehands auto.

Mijn grootouders, hun buren en buurtgenoten, de herenkapper – ze zijn al decennia dood maar hun huizen en hun bouwwerkjes, een tuinmuur of een zelf gemetselde garage, staan er nog. Wel de huizen, niet meer de mensen.